Jan Klaassen en Snikhals

Jan Klaassen en Snikhals in gevecht op Twickel! 

© 2013 Christine Sinninghe Damsté

IMG_4053In de zomer van 1870 zat Rodolphe van Heeckeren (1858-1936) te lezen in zijn Handleiding tot de kennis der Vaderlandsche Geschiedenis door Lodewijk Mulder. Rodolphe had speciale belangstelling voor het hoofdstuk ‘Krijgsbedrijven in de Oostzee’ (1658-1662), omdat daarin werd geschreven over de roemruchte luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer Obdam (1610-1665) Rodolphe las niet alleen over zijn heldendaden, maar ook over die van raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672) die door ‘zijn schranderheid het stadhouderlooze bewind wist te handhaven tegen de ontevredenheid der prinsgezinden’.

P1010424Nadat Rodolphe dit gelezen had noteerde hij met potlood in de kantlijn: Johan de Witt: Snikhals!!! Met drie stevige uitroeptekens. Vanwaar deze vermakelijke reactie, vroeg ik mij af?

Snikhals was een bespotte figuur uit de populaire poppenkast van Jan Klaassen en Katrijn en de personificatie van Johan de Witt. Rodolphe kende de ‘trompetterslegende’ over Jan Klaassen uit het boek Jan van Diemen uit den tijd van de oorlogen tusschen de Hollandsche Republiek en Engeland 1665-1672’, geschreven door E. Gerdes.Hierin stond het volgende:
Er heeft in ons land een man geleefd, die door zijn naam de poppenkast vereeuwigd heeft. Hij heette Jan Klaaszoon en diende als trompetter bij de lijfgarde van prins Willem II. Toen Willem II in het jaar 1650 gestorven was, waren velen, waaronder Johan de Witt, niet ingenomen met de prinsen van Oranje en wilden een eigen gezag, een soort van republiek.

Maar het gewone volk was op de hand van Oranje en wilde dat de zoon van Willem II, toen nog een kind, stadhouder zou worden. Zo ontstonden botsingen tussen volk en regering, welke soms bloedig afliepen. Onder hen die Oranje trouw wilden blijven, behoorde ook de trompetter Jan Klaaszoon. Hij wilde geen eed van trouw aan de Staatsgezinde Partij afleggen en nam ontslag uit de krijgsdienst. Om zijn brood te verdienen werd hij poppenkastspeler in Amsterdam.

Het poppenspel was al een eeuwenoude vorm van volksvermaak, maar Jan Klaassen gaf er een nieuwe draai aan, hij maakte zichzelf en zijn vrouw Katrijn tot hoofdpersonen en voerde ook een personage op die de nieuwe machthebber moest voorstellen: de raadpensionaris Johan de Witt en hij noemde hem spottend Snikhals. Snikhals was een ‘stokpop’, waarvan de hals heel lang kon worden. Volgens de beschrijving uit die tijd droeg hij het kostuum van een raadsheer, sprak hij geen woord, snoof (snikte) hij alleen maar en rees door middel van de stok zijn hoofd steeds hoger en hoger in de poppenkast. Snikhals voelde zich immers hoog verheven boven iedereen en was de vertegenwoordiger van de rijke arrogante burgerij, de kapitaalkrachtige kooplieden, gehaat bij het gewone volk. We weten allemaal hoe het is afgelopen met Johan de Witt, hij werd in het Rampjaar 1672 door een woedende menigte vermoord. Het eind van het poppenkastverhaal was altijd hetzelfde:  Jan Klaassen schold Snikhals uit voor ‘grote landsdief’ en ‘uitgerekte verrader’ en gaf hem tot slot een flink pak rammel met zijn stok.

Rodolphe bedoelde zijn ‘Snikhals met drie uitroeptekens’ vast en zeker ook spottend. Het impliceert zijn voorkeur voor de Oranjes, terwijl Jacob van Wassenaer Obdam destijds helemaal niet zo Oranje gezind was. In hetzelfde hoofdstuk van het bovengenoemde geschiedenisboekje worden de kwaliteiten van luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer, Heer van Obdam genoemd en ‘zijne regtschapenheid en gehechtheid aan de Staatsgezinde Partij’ geprezen. Rodolphe beschouwde Jacob van Wassenaer Obdam als familie, hoewel er tussen hen geen directe ‘bloedband’ was. Hij was een voorvader van Marie Cornélie van Wassenaer (1799-1850), de eerste vrouw van Rodolphe’ s vader, J.D.C. van Heeckeren( 1809-1875). Rodolphe en zijn familie waren twee eeuwen later trouwe aanhangers van het koningshuis. Zijn ouders hadden functies aan het hof te Den Haag en onderhielden goede relaties met de Koninklijke familie. De kinderen Van Heeckeren werden zelfs uitgenodigd op het Koninklijk kinderbal op Paleis Noordeinde.

De Groote Poppenkast

Zo is er een typisch Hollandse variant ontstaan op het al eeuwen oude en in verschillende landen in Europa bekende poppenkastspel. De propagandistische  bedoelingen van de voorstellingen van Jan Klaassen luwden in de loop der tijd. In latere jaren zat hij zwaar onder de plak van zijn kwaaie wijf Katrijn en werden de ruzies tussen beide echtelieden het onderwerp van de poppenkastvoorstellingen. Ook Marie, George en Rodolphe hebben hiervan kunnen meegenieten dankzij hun beweegbare poppenkastboek: De groote Poppenkast, de vermakelijke geschiedenis van Jan Klaassen en Katrijn, met acht gekleurde litho’s met beweegbare onderdelen, uitgegeven in 1862 door H. Nijgh te Rotterdam. Tijdens de voostelling werden de toeschouwers gestimuleerd luid mee te zingen terwijl ze de figuren in de poppenkast in beweging konden zetten door papieren strookjes heen en weer te schuiven.

De verschillende scènes zullen toen hilarisch geweest zijn, vandaag de dag is de humor niet meer helemaal te begrijpen. Jan Klaasen beschimpt alle tegenspelers in de poppenkast en mept er flink op los; Katrijn en haar kind, de diender, de clown en de moor moeten het allemaal ontgelden, totdat Jan zich vergist in zijn kracht .  In de laatste scène geeft hij zich gewonnen als hij in de benen wordt gegrepen door het dappere hondje Fidel. Grappig is dat de moor met een wonderlijk accent spreekt: ‘ ikke gehoord heb, jij Jan Klaassen altoos ruzie zoek! ‘

De kinderen werden gestimuleerd uit volle borst mee te zingen met de liedjes in het boek: in verschillende ‘tonelen’ zingt Jan Klaassen vermakelijke verzen op melodieën van toen bekende liederen, zoals het studentenlied ‘Io Vivat’ en ‘schep vreugde in het leven’ of de bakerliedjes  ‘daar liep een patertje’ en  ‘Alle eendjes zwemmen in het water’. In het zevende toneel, getiteld Jan Klaassen en Fidel, zingt Jan een strijdlied op de melodie van ‘Wien Neêrlands Bloed’. Dit door Hendrik Tollens geschreven gedicht, was het officiële Nederlandse volkslied tussen 1817 en 1932.

Jan Klaassen met zijn gebochelde rug en lange kromme neus, is een nakomeling van de schertsfiguren uit de 17e eeuwse  Italiaanse Commedia dell’ arte. Dit volkstoneel raakte in de18e eeuw uit de mode, maar de ondeugende personages keerden terug in veel 19e eeuwse kinderboeken omdat ze zich uitstekend leenden als rolmodel voor goed en slecht gedrag, destijds een geliefd kinderboeken thema.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s